KERKDIENSTEN

Aanvangstijden per 1 september zijn:

Zondagmorgen    9:30

Zondagmiddag     16:30
 

 

Liturgische kleuren en kaarsen in de kerk

 

 

Lichtsymboliek heeft grote betekenis in de christelijke eredienst. Zonder zon en licht is er geen leven. Woorden als ‘glans, zon, licht etc’ komen in bijbels spraakgebruik veel voor evenals in vele kerkliederen. Ze zijn aanduiding van het heil en beeld van de genade van de Here. Jezus Christus is genoemd ‘Zon der gerechtigheid’.

 

Godsdienstig spraakgebruik: dageraad, dag, oosten, heil  -  avond, nacht, westen, onheil.

Ons overvloedig gebruik van kunstlicht heeft ons het gevoel voor deze symbolen ontnomen en ook het besef van afhankelijkheid. We bepalen zelf hoe lang onze dag duurt.

Het gebruik van kaarsen als symbool van licht kan zinvol zijn om meer bewust te zijn van bovengenoemde aspecten.

 

Het gebruik van kaarsen in de eredienst heeft een lange voorgeschiedenis. De eerste Christenen vonden niet alleen in het Jodendom maar ook in eerdere culturen voorbeelden van het symbolisch gebruik van het "levend" licht. Vanuit het praktische nut (de weg vinden in het donker, veiligheid, e.d.) wordt licht symbool voor geborgenheid, heil, leven, bevrijding en troost. Tijdens de reformatie werden in veel protestantse kerken, samen met het altaar, ook de kaarsen afgeschaft. De laatste decennia treedt een kentering op en komen de kaarsen weer terug in de protestantse kerken.

 

De Paaskaars is het symbool van Christus, die zich het "Licht der wereld" noemde. Het licht van Christus is zo aanwezig in ons leven en in onze erediensten. Paasmorgen staat er weer een nieuwe Paaskaars in kerk.

 

Deze kaars stond (en staat) iedere kerkdienst opnieuw symbool voor de opgestane Heer, verheerlijkte Christus. Tegelijkertijd is de brandende paaskaars een boodschap: ‘Eens was u duisternis maar nu bent u licht, door uw bestaan in de Heer. Ga de weg van de kinderen van het licht’ (Ef. 5,8).

 

 

De Paaskaars heeft in onze kerk een eenvoudige symboliek en dat is het overbekende Christusteken, dat u ook op de kanselkleden terugvindt. Het Christusteken wordt gevormd door de eerste letters (in het Grieks) van de naam van Christus: de X en de P, dit is een van de oudste en meest geliefde symbolen voor Jezus, de Christus (= gezalfde).

Het bestaat uit een samenvoeging van de Griekse lettertekens X (= CH) en P (= R), de beginletters van ´Christus´, een woord dat ´gezalfde´ betekent en in het Hebreeuws ´Messias´ heet. Afbeeldingen van het Christusmonogram zijn al te vinden op muren van catacomben en op vroegchristelijke grafstenen. Maar ook later bleef het teken geliefd, en in onze tijd is het vaak te zien op liturgische kleding en voorwerpen. Het Christusmonogram is als symbool niet aan een bepaalde periode van het kerkelijk jaar gebonden, maar past heel mooi bij Kerstmis ofwel (Kerst = Christus) Christus-mis.

 

Dit teken staat ook buiten op onze kerk

 

Verder staan boven en onder dit Christusteken de alpha en omega, de eerste en de laatste letter van het Griekse alfabet. Ze worden hier gebruikt, ontleend aan vers 13 uit de Openbaring van Johannes, waar Jezus zegt: "Ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde." Als zodanig staan deze letters ook symbool voor wie Christus is, was en zal zijn.

De paaskaars blijft altijd branden, voor ons is het licht immers nooit  helemaal weg.

 

 

 

In de 40 dagen tijd is de liturgische kleur paars. We zetten op de liturgietafel een kandelaar met

7 kaarsen. Op de eerste zondag branden 7 kaarsen. Eén kaars wordt gedoofd. Daarbij kan een tekst gelezen worden, een lied gezongen. Het gaat om de symboliek dat wij de duisternis liever hebben gehad dan het licht. Op Goede Vrijdag brandt er dan nog één kaars, die dan wordt gedoofd. Er kan dan een passage gelezen worden over het sterven van Jezus.

 

Op Paasmorgen is de liturgische kleur wit en dan branden er 7 nieuwe kaarsen, niet één voor één aangestoken in de dienst. Ze branden al, als de mensen binnenkomen. Het licht is ons voor geweest. Het volle licht is doorgebroken.

 

De liturgische kleur na Pasen tot en met de Hemelvaartsdag blijft wit.

 

De liturgische kleur op de Pinksterdagen is rood, als teken van vuur en enthousiasme, aangestoken door de Heilige Geest. Daarna is de liturgische kleur weer groen.

 

Adventstijd. De liturgische kleur is ook dan weer paars.  Advent of de adventstijd is een periode van

4 weken voor Kerstmis. De naam advent komt van adventus, het Latijnse woord voor komst. In de adventsperiode bereiden -met name christenen- zich voor op de komst van het Kerstfeest en gedenken we de geboorte van Jezus. Voor zover men heeft na kunnen gaan, werd in de 5e eeuw reeds Advent gevierd in bepaalde gebieden in Italië.

 

Met de Advent begint het Liturgisch jaar. Het begin van de Advent is altijd op de zondag tussen 27 november en 3 december. De Adventsperiode eindigt op 24 december. Dit maakt dat de lengte of duur van de adventstijd kan variëren per jaar. De advent telt echter wel altijd vier zondagen. De 4 weken staan symbool voor de 4000 jaar die de mensheid -volgens de kerkelijke berekening- op de komst van de Verlosser(s) hebben gewacht.

 

In de adventstijd staat een kandelaar met 4 of 5 kaarsen in de kerk. De eerste zondag wordt er een aangestoken en de daarop volgende zondag steeds de volgende.

 

Met kerst is de liturgische kleur wit. Dan wordt de 5e kaars aangestoken, het volle licht is dan ook weer doorgebroken. Staan er 4 kaarsen dan komt er een grotere kaars voor de kerst.

 

Na 6 januari is de liturgische kleur groen.

 

Tot slot: het wit van de  kaarsen staat symbolisch voor zuiverheid, reinheid, feestvreugde en ongebroken licht.

 

Marijke de Graaf in overleg met ds. J. Groenleer